rss search

next page next page close

DIY: homemade cleaner

DIY:  homemade cleaner

Maak zelf je schoonmaakspray voor het reinigen van de keuken, speelgoed, stickers verwijderen, etc, zonder chemische toevoegingen!

 

Meng 200 ml schoonmaakazijn, 800 ml water, een paar takjes rozemarijn, een klein takje munt en een paar citroenschillen. en vul hiermee een plantenspuit

FacebookTwitterPinterest

full post »
next page next page close

DIY: handzeep maken

Om je huis en jezelf op een natuurlijke en goedkope manier te reinigen heb je eigenlijk niet veel nodig. Het keukenkastje van een diy’er bestaat uit onder andere: baking soda, gewone soda, schoonmaakazijn, olie en Marseille zeep. Met deze ingrediënten en een beetje water kun je veel gebruikte schoonmaakmiddelen maken zonder chemische toevoegingen.

 

Voor de handzeep gebruiken we Marseillezeep. Deze zeep is 100% plantaardig en rijk aan olijfolie. De zeep is heel mild, waardoor het een ideale zeep is voor de gevoelige of allergische huid. Aan de slag:

– Rasp van het zeepblok ongeveer 20 gram

– Doe 500 ml water in een pan en breng dit aan de kook. Voeg dan de geraspte zeepvlokken toe en roer tot het is opgelost

– Zet het vuur uit en laat de pan met deksel een nacht lang afkoelen. De zeep is namelijk nog erg vloeibaar. Als je de volgende ochtend in de pan kijkt, is de zeep ingedikt en een geleiachtige constructie. Roer de zeep nog eens keer goed door en voeg eventueel wat etherische olie toe voor een lekker geurtje. Met een trechter kan je de zeep heel makkelijk overschenken in een zeeppompje.

 

 

FacebookTwitterPinterest

full post »
next page next page close

Adopteer een kip!

Adopteer een kip!

Ik heb al een kip geadopteerd! En jij?

 

Tienduizenden Nederlanders hebben inmiddels een biologische kip geadopteerd. En het aantal blijft maar groeien. Logisch. Want het lekkerste eitje is een adoptiekip-eitje.

Als je besluit om een kip te komen ophalen: de kip blijft van de boer en loopt met honderden vriendinnen op een biologische pluimveehouderij. Je krijgt waardebonnen voor heerlijke biologische eieren. Het geld van je adoptie wordt gebruikt voor een vergoeding van degene waar je je eierbon inwisselt, voor promotie van Adopteer een Kip en, het belangrijkste, voor de bijzondere projecten van Adopteer een Kip.

Kijk op www.adopteereenkip.nl !

FacebookTwitterPinterest

full post »
next page next page close

De WISC IV en WISC-V

De WISC-IV zal niet in een Nederlandstalige bewerking uitgegeven gaan worden. In Nederland wordt gewacht op de uitgave van de Amerikaanse WISC-V en hiervan zal een Nederlandstalige bewerking ontwikkeld worden.

De reden hiervoor is dat indien nu de WISC-IV bewerkt zou worden, deze pas 3 jaar later op de markt zal verschijnen. In de US wordt momenteel al gewerkt aan de ontwikkeling van de WISC-V, wat zou betekenen dat de WISC-V-US en de WISC-IV-NL publicatie zo dicht bij elkaar liggen dat het meer zinvol is om de WISC-V ook voor het Nederlandstalig gebied te bewerken. Op die manier lopen we in Nederland qua theoretische onderbouwing en doorontwikkeling weer gelijk met de US. Om toch te zorgen dat er niet te lange tijd verstrijkt tussen de WISC-III-NL en de WISC-IV-NL is er nauwe betrokkenheid bij de ontwikkeling in Amerika en kan er zo vroeg mogelijk gestart worden met het bewerken van de WISC-V. Momenteel is er nog geen informatie over de WISC-V beschikbaar, omdat er nog geen definitieve versie is. De ontwikkeling in de US is gestart maar bevindt zich nu in de derde pilotfase. Hier in Nederland kunnen we pas starten als zij de standaardisatiefase ingaan. Op zijn vroegst spreken we over 2016.

FacebookTwitterPinterest

full post »
next page next page close

Over mij als GZ-psycholoog

Over mij als GZ-psycholoog

Persoonlijk

Dat ik met mensen wilde werken, weet ik al van jongs af aan. Dat hoort bij me, het past bij wie ik ben en wat ik wil doen met mijn leven. Ik studeerde HBO Pedagogiek. Ik leerde in mijn werk veel over jeugdigen met gedragsproblemen, hun ouders en de opvoeding. Na mijn studie volgde ik nog een studie, Orthopedagogiek aan de Vrije Universiteit Amsterdam. Ondertussen deed ik nog meer werkervaring op. Niet alleen met opgenomen kinderen, maar ook met afnemen en interpreteren van psychologische onderzoeken. Ook spreek ik vaak de ouders en scholen. Ik bleef gemotiveerd om meer te willen weten. Het beter begrijpen waarom wij doen zoals we doen en, in het vervolg daarop, dat we er zelf iets aan kunnen veranderen is voor mij even boeiend als inspirerend. Ik volgde de postdoctorale opleiding tot GZ-psycholoog. Dat staat voor generalistisch en inzetbaar in alle sectoren van de gezondheidszorg.

Ik doe dit werk omdat het me eindeloos interesseert en voel me oprecht bevoorrecht dat mensen hun verhaal met mij delen en dat ik een bijdrage kan leveren. Het onderzoek, het verbinden van de uitkomsten, steeds creatief zijn in het afstemmen op de ander, de visie dat de volwassene wordt gevormd door ervaringen uit de jeugd gecombineerd met genetische factoren en  de grondigheid van wetenschappelijk opgestelde behandelingen; zo maar wat facetten van mijn vak die waardevol zijn voor mij als GZ-psycholoog.

Ik werk op een pragmatische en betrokken manier, met vakinhoudelijke scherpte en op basis van goed onderbouwde methoden en technieken. Ik denk vanuit de overtuiging dat elke cliënt uniek is, maar de klacht niet. Dat wil b0bf1453c8d521031763675effe4f6c8zeggen dat ik jouw situatie herken en ook kan plaatsen, maar nooit helemaal omdat zowel jouw situatie en jouw karakter authentiek zijn. Mijn stijl is rustig en ordenend. Samen stellen we een behandeling op die past bij jouw manier van werken, leren en je ontwikkelen en op basis van technieken uit de cognitieve gedragstherapie, oplossingsgerichte therapie, EMDR en mindfulness.

FacebookTwitterPinterest

full post »
next page next page close

Over het ontstaan van een Post Traumatische Stress Stoornis

Opzet voor onderzoek naar factoren bepalend voor het ontstaan van PTSS
Vrije Universiteit Amsterdam
Master Orthopedagogiek
Masterclass Geweld in het Gezin
Juli 2007

Samenvatting
Deze onderzoeksopzet richt zich op een onderzoek naar de factoren die bepalend zijn voor het ontwikkelen van een Post Traumatische Stress Stoornis (PTSS) bij Nederlandse kinderen na het meemaken van geweld in het gezin. Uit de literatuur komen variabelen die van invloed zijn op het ontwikkelen van PTSS naar voren, deze zijn te ordenen in factoren gerelateerd aan de aard van de traumatische gebeurtenis, de intrapersoonlijke- en interpersoonlijke context. Het onderzoek zal plaatsvinden onder 858 kinderen van 8 t/m 18 jaar die geworven zullen worden uit een steekproef van 2000 respondenten. Hiervoor zal een samenwerking met politiebureaus aangegaan worden: uit elke provincie wordt de hoofdstad en daarnaast aselect een stad en een dorp gekozen waarvan het hoofdbureau benaderd wordt voor meldingen gericht op geweld in het gezin. De respondenten en hun ouders/verzorgers, vullen allen de vragenlijst voor Pretrauma, Posttrauma en Traumagerelateerde Factoren (PPTF) in (ontwikkeld door de onderzoekers), één maand na het traumatische incident. De hypothese is dat kinderen die een PTSS ontwikkelen significant hoger scoren op de PPTF-vragenlijst dan kinderen zonder PTSS. Na 1,5 maand worden de kinderen gezien door een psycholoog/psychiater in hun regio, waar met behulp van de “gouden standaard”, de ADIS-IV, vastgesteld wordt of er sprake is van een PTSS. Als er geen PTSS vastgesteld kan worden, wordt er vervolgonderzoek gedaan na respectievelijk drie, zes en twaalf maanden, waarbij rekening gehouden wordt met eventuele nieuwe traumatische ervaringen die zich na het eerste bezoek aan de psycholoog/psychiater kunnen voordoen. Hiervoor wordt de Vragenlijst Vervelende en Nare Gebeurtenissen gebruikt. Vervolgens wordt berekend, door middel van een variantieanalyse, of scores op de afhankelijke variabelen (risico- en beschermende factoren) significant verschillend zijn voor de twee groepen (geen versus wel PTSS vastgesteld) en wordt de sterkte van de samenhang met de afhankelijke groepsvariabele berekend. Kinderen die tussentijds tevens een traumatische gebeurtenis mee hebben gemaakt, worden niet meegewogen in deze variatieanalyse. De analyse vindt wel plaats, maar als aparte groep.

Inleiding
Kinderen en jongeren die een ernstig trauma hebben ondergaan, of daarvan getuige zijn geweest ervaren doorgaans een hoge mate van stress. Het kan gaan om slachtoffers van lichamelijk, seksueel en/ of oorlogsgeweld. Dit kan een eenmalige gewelddadige gebeurtenis zijn (traumatype I) of een langere periode waarin men getuige of slachtoffer is geweest van geweld (traumatype II).

Er is een groot scala aan klachten dat kan ontstaan bij (een hoge mate van) stress, welke klachten al dan niet in combinatie met elkaar voor kunnen komen. Te denken valt aan bijvoorbeeld chronische gespannenheid en vermoeidheid, angstklachten, herbelevingen, lichamelijke klachten zoals buik- en hoofdpijn, slaapproblemen, concentratieproblemen, stemmingsklachten en /of gedragsproblemen. Hoe intens een kind een stressvolle of traumatiserende ervaring beleeft en in welke mate een kind hier last van krijgt, is afhankelijk van het individu zelf en omgevingsfactoren. De ene situatie kan daarbij voor het ene kind veel stress veroorzaken, terwijl een ander kind hier nauwelijks tot geen last van heeft. De ene persoon zal geen verdere gevolgen ervaren na het beleven van een stressvolle ervaring, de ander zal er tijdelijk klachten aan overhouden, terwijl weer een ander daadwerkelijk een (langer) blijvende stoornis ontwikkelt (Wenar & Kerig, 2000). Welke factoren hierbij bepalend zijn, en wel of niet zorg dragen voor het ontstaan van een Post Traumatische Stresstoornis bij Nederlandse kinderen is niet precies bekend. Dit onderzoeksvoorstel richt zich hier dan ook op. Het onderzoek richt zich specifiek op het voorkomen van geweld in het gezin als zijnde een traumatische ervaring. Een definitie van geweld in het gezin wordt gegeven onder de noemer ‘Huiselijk geweld’ en kan als volgt omschreven worden: ”Onder huiselijk geweld verstaan we verschillende vormen van fysieke, of geestelijke mishandeling en/of seksueel misbruik, gepleegd door iemand uit de huiselijke kring van het slachtoffer: (ex-)partners, gezinsleden, familieleden, huisvrienden of buren. ” (Wentzel, Haalboom, Meinster & Ruiter, 2004)

1.1      Relevantie en doel van het onderzoek
Doel van het onderzoek is na te gaan welke factoren bepalend zijn voor het ontstaan van een posttraumatische stresstoornis bij Nederlandse kinderen.

Om een goede theoretische fundering voor hulpverlening te kunnen ontwikkelen is het van belang risicofactoren te kennen die een rol spelen in het ontstaan van een PTSS. Ditzelfde geldt voor het gericht in kunnen zetten van preventie, een activiteit die tevens zeer van belang is. Vandaar dat onderzoek op dit vlak benodigd is, hetgeen in Nederland vooralsnog nauwelijks heeft plaatsgevonden. Dit onderzoek richt zich op trauma type II, specifiek op het gebied van het slachtoffer of getuige zijn van geweld in het gezin, een zeer omvangrijke geweldsvorm in onze samenleving. Het geweld wat zich in de privé-sfeer afspeelt komt in tegenstelling tot wat sommigen denken voor in alle sociaal-economische klassen en binnen alle culturen (Baartman, 2006). Deze vorm van geweld treft vooral vrouwen en kinderen als slachtoffer (maar neemt niet weg dat mannen, ouders en ouderen hier ook toe behoren).

Onder de kinderen in Nederland worden er naar schatting zeker 100.000 aan dit geweld blootgesteld, fysiek en/of als getuige (zien en/of horen). Hiervan lopen er volgens onderzoek 40.000 een verhoogd risico op psychosociale problemen of gedragsproblemen (Wentzel et al., 2004). In onderzoeken worden verschillende percentages gevonden, variërend van 12% tot 60% voor het aantal kinderen dat na het meemaken van een traumatische gebeurtenis PTSS ontwikkelen. Gevonden percentages van PTSS bij kinderen die getuige zijn geweest van huiselijk geweld lopen uiteen van 13% tot 56% (Dijkstra, 2001). Gezien deze schattingen voor het ontwikkelen van PTSS na een traumatische ervaring in het gezin, wordt de aandacht in dit onderzoek gericht op dit probleem. Er zal onderzoek verricht naar de factoren die van invloed zijn op het ontstaan van PTSS, opdat met deze kennis een bijdrage geleverd wordt aan het gericht begeleiden van deze kinderen en zelfs het voorkomen van deze stoornis.

1.2      Probleem- en vraagstelling
Factoren die bepalend zijn voor het ontstaan van een PTSS bij Nederlandse kinderen die een traumatische ervaring hebben meegemaakt in het gezin zijn nog onbekend. De vraagstellingen van het onderzoek zijn daarbij de volgende:  Scoren kinderen die een PTSS ontwikkelen significant hoger op de vragenlijst ‘PPTF’ dan kinderen zonder PTSS? Welke variabelen hangen het sterkst samen met het ontwikkelen van een PTSS bij kinderen? De hypothese is dat kinderen die een PTSS ontwikkelen significant hoger scoren op de PPTF-vragenlijst dan kinderen zonder PTSS.

  1. 1.    Theoretisch kader

1.1       Reacties op een traumatische/stressvolle ervaring bij kinderen
Kinderen kunnen verschillende stressreacties geven op een traumatische, stressvolle ervaring. De locus coeruleus in de hersenstam wordt geactiveerd als een kind stress ervaart. Er wordt hierdoor een zogenaamde ‘fight-flight-freeze’ (vechten-vluchten-bevriezen) mechanisme in werking zet. Dit zijn razendsnelle en automatische reacties van het autonome zenuwstelsel om het lichaam te beschermen tegen (potentieel) gevaar (Bicanic, 2002). De energie die nodig is om eventueel te vluchten, te vechten of te bevriezen wordt geleverd door de stresshormonen adrenaline en cortisol. Cortisol stimuleert het lichaam tot het vrij maken van extra energie en remt de stressreactie af om te voorkomen dat het lichaam uitgeput raakt. Als de stressvolle situatie verdwijnt dalen de hormonen adrenaline en cortisol terug naar hun normale waarden.De hiervoor beschreven lichamelijke reacties doven dan langzaam uit. Alleen als het gevaar voortduurt en chronisch is zoals bij langdurige kindermishandeling, krijgt het lichaam geen kans om te herstellen. Adrenaline en cortisol kunnen dan in verhoogde concentraties voorkomen in het lichaam, waardoor het kind continu ‘op scherp’ staat (Bicanic, 2002). Het kind is hierdoor in staat te overleven in een continu bedreigende omgeving. Het kind voelt dan ofwel teveel (‘hyperarousal’) ofwel helemaal niets (’emotional numbing’). Een vorm van vluchten die bij kinderen voorkomt is milde dissociatie. Dat betekent dat het kind losgekoppeld is van de traumatische gebeurtenis of van zichzelf (Bicanic & Leeuwenburgh, 2001). Als het kind de pijnlijke ervaring scheidt van het bewustzijn kan het kind doorgaan met het dagelijks leven. Gedachten die kinderen kunnen hebben zijn: “Ik ben er niet”, “Ik ga nu aan iets anders denken”. Kinderen krijgen door stressvolle situaties ook vaak psychosomatische symptomen, zoals hoofdpijn, nekpijn, duizeligheid, buikpijn zonder enige aanwijsbare organische oorzaak. Het meest voorkomende symptoom is moeheid (Brobeck, Markund, Haraldsson & Berntsson, 2007). Het verschilt per leeftijd en geslacht en het definiëren van het symptoom in welke mate het voorko

2.2      Post Traumatische Stress Stoornis
Samengevat is een Posttraumatische Stresstoornis (PTSS) een angststoornis die wordt veroorzaakt door blootstelling aan een overweldigende, traumatische gebeurtenis, waarbij de persoon de gebeurtenis later herhaaldelijk herbeleeft (Verhulst & Verheij, 2003). In figuur 1 zijn de DSM-IV criteria weergegeven. Als de symptomen minimaal één tot drie maanden aanhouden, spreken we van een acute PTSS, duren ze langer dan drie maanden dan hebben we te maken met een chronische PTTS (Oudshoorn, Brans, Duyx &  Eussen, 1995).

2.3      Variabelen die van invloed zijn op het ontwikkelen van PTSS
Variabelen zoals gevonden in wetenschappelijke literatuur kunnen gegroepeerd worden in drie categorieën: de aard van de traumatische gebeurtenis, de intrapersoonlijke- en de interpersoonlijke context.

De aard van de traumatische gebeurtenis
Gebeurtenissen kunnen onderscheiden worden in acute gebeurtenissen, zoals een natuurramp of een auto ongeluk en in meer chronische situaties, zoals leven in een gewelddadig gezin of in oorlogsgebied. Een slachtoffer van een acuut incident kan moeite hebben om de ervaring uit zijn hoofd te zetten. Dit kan resulteren in pijnlijke gedachten, hyperalertheid, angst en somatische klachten. Slachtoffers van een chronisch trauma kunnen moeite hebben zich te ontspannen. Bijbehorende reacties kunnen zijn vermijding, emotionele afvlakking en ontkenning (Fletcher, 1996). Volgens Wenar en Kerig (2000) hebben kinderen bij een acuut trauma een grotere kans om te herstellen van de negatieve effecten. De afstand ten aanzien van de blootstelling aan de gebeurtenis is een andere belangrijke dimensie. Bij een granaatinslag naast een school bleek dat kinderen naast wie de granaat viel tijdens het buitenspelen meer PTSS symptomen hadden dan kinderen die zich in het schoolgebouw bevonden, wie op hun beurt meer symptomen hadden dan kinderen die de betreffende dag thuis waren (Fletcher, 1996). Ook Wenar en Kerig (2000) stellen dat kinderen die niet direct betrokken zijn bij een traumatische gebeurtenis minder kans maken op een PTSS. Andere factoren die invloed kunnen hebben op de impact van het trauma zijn bijvoorbeeld de frequentie en duur van het trauma, het gebruik van kracht en geweld (Tsaj, Feldman-Summers & Edgar, 1979) en het oplopen van schade en/of letsel (Shaw, 2000).

De intrapersoonlijke context
Er is nog weinig onderzoek gedaan naar factoren die invloed kunnen hebben op de emotionele reactie van kinderen na een traumatische gebeurtenis. Er is wel een trend gevonden voor een biologische predispositie voor PTSS. Een positieve bevinding was dat een veerkrachtig temperament, zoals extraversie, een positieve stemming en flexibiliteit, de negatieve effecten van traumatische stress kan matigen. Anderzijds kan een geschiedenis van angst en psychopathologie de kwetsbaarheid bij traumatische stress vergroten. Een geschiedenis van stressvolle gebeurtenissen kan twee tegengestelde effecten hebben: aan de ene kant kan het de kwetsbaarheid op PTSS vergroten, aan de andere kant kunnen vroegere ervaringen het kind ook helpen om opgewassen te zijn tegen de schadelijke effecten van blootstelling aan de recente traumatische gebeurtenis (Wenar & Kerig, 2000). Volgens Shaw (2000) laten kinderen meer klinische symptomen zien als de traumatische ervaring de ontwikkeling belemmert. Ook komen zij tot de conclusie dat de wijze van reageren op een traumatische ervaring of stressvolle gebeurtenis wordt beïnvloed door het temperament van het kind, karaktereigenschappen en eventuele aanwezige psychopathologie. Kinderen die bijvoorbeeld extreem verlegen zijn hebben een grotere kans om een traumatische ervaring als meer angstig te interpreteren en meer risico te lopen op trauma specifieke symptomen (Shaw, 2000). Ander onderzoek waarin gelijksoortige conclusies getrokken worden, is dat van Breslau, Lucia & Alvarado ( 2006). Het blijkt dat kinderen op de leeftijd van zes jaar met externaliserende problemen meer risico lopen om een posttraumatische stoornis te ontwikkelen. Dit geldt ook voor kinderen die op deze leeftijd die angstproblemen hebben. Kinderen die één standaardafwijking of hoger afwijken van het gemiddelde intelligentiequotient (IQ) lopen minder risico om een posttraumatische stoornis te ontwikkelen dan kinderen met een IQ van 100 of lager.

Volgens Green & Salkind (1991) is het leeftijdsniveau van kinderen van invloed op de subjectieve beleving van het trauma. De manier waarop een traumatische gebeurtenis door jonge kinderen ervaren wordt, wordt bepaald door beperktere cognitieve vermogens. De gebeurtenis wordt waarschijnlijk niet op een coherente conceptuele manier ervaren. Heel jonge kinderen kunnen moeite hebben om symptomen onder woorden te brengen, waardoor de symptomen moeilijker te observeren zijn of af te leiden uit gedrag. Een ouder kind zal beter “begrijpen” wat er gebeurd is, heeft meer begrip van huidige en toekomstige consequenties en past meer cognitieve copingstrategieën toe, zoals pogingen om herinneringen te vergeten en betekenissen af te weren (Green & Salkind, 1991). Naast leeftijd blijkt het geslacht van het kind ook een mogelijke factor van invloed. Het lijkt erop dat meisjes over het algemeen meer kwetsbaar zijn voor PTSS-symptomen ( Udwin, Boyle, Yule, Bolton & O’Ryan, 2000). Meisjes zouden een grotere frequentie van internaliserende problemen (angst en depressie) laten zien, terwijl jongens eerder zouden vervallen in externaliserende symptomen na een traumatische ervaring. Deze bevinding wordt ook bevestigd door Green & Salkind (1991). PTSS-symptomen hebben meer overlap met angst en depressie dan met agressie en alcoholmisbruik en zouden dan ook eerder verwacht worden bij vrouwen (Udwin et al., 2000). Pre-trauma factoren zijn eveneens een sterke voorspeller voor het ontwikkelen van een PTSS. Sociale, fysieke of psychologische problemen van het kind voorafgaand aan het trauma blijken een sterke voorspeller voor het ontwikkelen van een PTSS (Udwin, et al., 2000). Onderzoek van Widom (1991) toont aan dat kinderen die getuige zijn van geweld in het gezin beter af zijn wanneer ze een hoog IQ hebben, uitblinken in sport, in bepaalde vakken op school goed presteren en bevredigende sociale relaties hebben. Positieve ervaringen op school zijn beschermend, evenals een volwassene die ondersteuning biedt en in gedrag een positief voorbeeld is voor het kind (Carter, Weithorn & Behrman,  1999; Totten, 2001).

De interpersoonlijke context
De reacties van kinderen op traumatische gebeurtenissen zijn vaak gerelateerd aan de reacties van hun ouders en andere belangrijke volwassenen. Dit geldt met name voor jonge kinderen. Sociale steun is dus een belangrijke variabele. Ouderlijke steun is bijvoorbeeld geassocieerd met veerkracht ten aanzien van stress, terwijl separatie van ouders direct na een ramp en aanwezige familieconflicten geassocieerd worden met meer ernstige symptomen van PTSS (Wenar & Kerig, 2000). Andere risicofactoren die volgens Shaw (2000) van invloed kunnen zijn op de symptomatologie van kinderen die (een) traumatische gebeurtenis(sen) meemaken zijn een gewond of vermoord familielid, ouderlijke psychopathologie, een prikkelbaar en/of een depressief gezinsklimaat. Gehechtheidsrelaties en een veilig thuisklimaat kunnen kinderen beschermen bij een trauma dat zich afspeelt buiten de familie (McCloskey & Walker, 2000)

De genoemde variabelen kunnen voor het kind een risicofactor vormen voor het ontwikkelen van PTSS, maar dit is niet deterministisch van aard. Een aantal risicofactoren die tegelijk voorkomen kunnen zorgen voor een groter risico dan wanneer men de afzonderlijke risicofactoren bij elkaar optelt. Een beschermende factor hoeft niet vanzelfsprekend te zorgen voor een verlaagd risico op het ontwikkelen van PTSS (Cummings, Davies & Campbell, 2000).

3. Aanpak van onderzoek

3.1            Steekproef en onderzoeksdesign
Er is sprake van een niet-experimenteel, fixed design. Het onderzoek is comparatief van aard, onderzocht wordt op welke variabelen de twee groepen (wel versus geen PTSS) verschillen. De resultaten zullen correlationele verbanden weergeven, welke aanwijzingen kunnen zijn voor causale verbanden tussen factoren en uitkomst, maar deze causaliteit zal uitsluitend met experimenteel onderzoek vastgesteld kunnen worden (Robson, 2002).

3.2          Steekproefomvang
Om een zinvol onderscheid te kunnen maken tussen de gemiddelde score van kinderen die wel en geen PTSS hebben ontwikkeld, is berekend hoe groot de groepen van beide kinderen moeten zijn met behulp van een formule voor de berekening van de steekproefomvang voor twee onafhankelijke steekproeven van Neeleman & van Bolhuis (2003). Er is gekozen voor een kleine effectmaat (γ = 0.2), om op deze manier kleine verschillen tussen de twee gemiddelden te kunnen onderscheiden. Er is gekozen voor een groot onderscheidingsvermogen (1 – β), zodat de kans dat de nulhypothese, aangenomen dat deze niet juist is, terecht verworpen wordt. De onbetrouwbaarheid (alfa fout = α) van de toets wordt op 0.05 gesteld, zodat de kans dat ten onrechte de alternatieve hypothese aangenomen wordt, klein blijft. De formule voor de bepaling van de steekproefomvang is de volgende (Neeleman & van Bolhuis, 2003):

n =
k = ny / nx ; oftewel de verhouding van de omvang van beide steekproeven. In dit onderzoek steven we naar een gelijke verhouding tussen de beide groepen. Dit houdt in dat k = 1.
De waarde voor Zα = 1,645, de waarde voor Z 1 – β = 1,282. Het invullen van de formule geeft een N van 858 steekproefpersonen. Dit houdt in dat de twee groepen elk uit 429 proefpersonen moeten bestaan als uitgegaan wordt van deze bepaling van de steekproefomvang. Om te komen tot 429 proefpersonen per steekproef zullen meer dan 858 kinderen geselecteerd worden, aangenomen dat de verdeling in de gevonden kinderen niet 1 : 1 is. De gevonden percentages van kinderen die na een ervaring met geweld in het gezin een PTSS ontwikkelen variëren van 13% tot 56% (Dijkstra, 2001). Deze percentages zijn zeer uiteenlopend, en het is moeilijk op basis van dergelijke getallen een schatting te maken van de verhouding. Vandaar dat gekozen wordt om een grote groep van 2000 kinderen te selecteren om zo zeker 429 kinderen van beide categorie te kunnen betrekken in het onderzoek.
3.3      Steekproeftrekking
Omdat de onderzoeksgroep moet bestaan uit kinderen die recentelijk een traumatische ervaring in de gezinssituatie hebben meegemaakt, is gezocht naar een plaats waar dergelijke kinderen bekend zijn. Er is voor gekozen om een samenwerking aan te gaan met verschillende politiekorpsen in Nederland. Hier komen meldingen binnen, of worden aangiften gedaan na traumatische gebeurtenissen, zoals geweld in het gezin. Zowel meldingen als aangiften van geweld in het gezin worden in het onderzoek meegenomen. Er is tevens overwogen om de hulpverleningsinstelling “slachtofferhulp” te benaderen, maar waarschijnlijk doet zich dan een grotere selectie van respondenten voor door de keuze al dan niet hulp te verkrijgen van slachtofferhulp. Een melding bij de politie kan door derden gedaan worden (bv. door buren, familie enz.) waardoor de kans op vertekening van respondenten kleiner is. Om een representatieve steekproef van alle Nederlandse kinderen te trekken, wordt van alle provinciale hoofdsteden het hoofdbureau benaderd. Vervolgens wordt uit elke provincie aselect een stad en een dorp gekozen waarvan eveneens het hoofdbureau benaderd wordt. Er is gekozen voor deze drie verschillende stedelijkheden omdat er geen centrale registratie is binnen een provincie of stad en op deze manier wel een representatieve steekproef van de Nederlandse bevolking te verkrijgen. Om aan de benodigde 2000 respondenten te komen, worden per korps gegevens van 56 kinderen in de leeftijd van 8 t/m 18 jaar op volgorde van melding of aangifte aan de onderzoekers verstrekt waarna de onderzoekers de respondenten kunnen benaderen. Verwacht wordt dat het werven van de benodigde respondenten één a twee jaar zal duren.

3.4         Procedure
De respondenten, ouders/verzorgers en hun kinderen in de leeftijd van 8 t/m 18 jaar, vullen allen de vragenlijst PPTF in, ongeveer anderhalve maand na het traumatische incident, net voordat ze uitgenodigd worden om naar de psycholoog/psychiater te gaan. Aan de hand van deze vragenlijst wordt ook nagegaan of er nog een andere traumatische gebeurtenis heeft plaatsgevonden binnen deze anderhalve maand, hetgeen dan als factor meegenomen wordt in de analyse.

Vervolgens worden de kinderen in deze periode ook gezien door een psycholoog/psychiater in hun regio, waar met behulp van de ADIS-IV vastgesteld wordt of er sprake is van een PTSS. Kinderen die na anderhalve maand niet gediagnosticeerd worden met PTSS worden na drie, zes en twaalf maanden weer gezien voor vervolgonderzoek door de psycholoog/psychiater.  Een risico van deze procedure is dat een kind in de tijd na het eerste bezoek aan de psychiater/psycholoog een traumatische gebeurtenis meemaakt, die tot het ontstaan van een PTSS leidt. Om deze kinderen uit het onderzoek uit te sluiten, zal bij de vervolgbezoeken aan de psycholoog/psychiater aandacht besteed worden aan traumatische gebeurtenissen die zich hebben voorgedaan na het eerste bezoek aan de psycholoog/psychiater. De psycholoog/psychiater maakt hiervoor gebruik van de Vragenlijst Vervelende en Nare Gebeurtenissen (VVNG, zie instrumenten) zodat op een gestandaardiseerde manier informatie verzameld wordt over vervelende, nare gebeurtenissen die plaats hebben gevonden na het eerste bezoek.


3.5     
Instrumenten
PPTF-Vragenlijst
De vragenlijst Pretrauma, Posttrauma en Traumagerelateerde Factoren, de PPTF, is ontwikkeld om te meten welke risico- en beschermende factoren invloed hebben op het ontwikkelen van een PTSS. De gekozen factoren in de vragenlijst zijn gebaseerd op literatuuronderzoek en naar aanleiding daarvan worden per factor een aantal vragen opgesteld. Door middel van factoranalyses zullen verschillende schalen onderscheiden worden. Er zullen drie varianten worden ontwikkeld, één voor 8 t/m 12 jaar, één voor 13 t/m 18 en één voor ouders/verzorgers. De variatie houdt in dat de items op het niveau van de respondent worden afgestemd.

Er zal onderzoek gedaan worden naar de betrouwbaarheid door het toepassen van de test hertest procedure en door het berekenen van de interne consistentie. Voor het vaststellen van de validiteit zal de constructvaliditeit onderzocht worden, dat houdt in dat onderzocht wordt of de vragenlijst toekomstige uitkomsten kan voorspellen, of de lijst correleert met testen waar hij mee zou moeten correleren en juist niet correleert met testen die een ander construct meten.

De volgende variabelen worden in de vragenlijst opgenomen. De variabelen zijn gegroepeerd naar de aard van de traumatische gebeurtenis, inter- en intrapersoonlijke factoren. De eerste groep heeft betrekking op traumagerelateerde factoren. De twee andere groepen hebben zowel op pretrauma- als posttraumatische factoren betrekking. Ook zal de variabele ‘meegemaakte traumatische gebeurtenis’ meegenomen worden om te kijken of er nog een traumatisch gebeurtenis plaatsgevonden heeft de laatste 1,5 maand.

Variabelen gerelateerd aan de aard van de traumatische gebeurtenis:

  • Gewond/vermoord familielid
  • Fysieke afstand bij gebeurtenis
  • Frequentie van de gebeurtenis
  • Gebruik van kracht & geweld
  • Ervaring van schade en letsel

Variabelen gerelateerd aan de interpersoonlijke context:

  • Gezinsklimaat
  • Sociale relaties (voor en na trauma)
  • Sociale steun
  • Separatie van ouder(s) na gebeurtenis
  • Psychopathologie ouders

Variabelen gerelateerd aan de interpersoonlijke context:

  • Temperament
  • IQ
  • School/ sportprestaties
  • Gehechtheidsrelaties
  • Geschiedenis van angst/psychopathologie
  • Leeftijd
  • Geslacht
  • Medische problemen
  • Psychologische problemen

Variabele

Meegemaakte traumatische gebeurtenis laatste 1,5 maand

De ADIS-IV
Om de diagnose Post Traumatische Stress stoornis op een betrouwbare manier te kunnen stellen, wordt door de betrokken gz-psychologen/psychiaters in het onderzoek gebruik gemaakt van de Anxiety Disorders Interview Schedule for Children for DSM-IV, ofwel de ADIS-IV. De ADIS-IV is een gestandaardiseerd hulpmiddel, bestemd voor het stellen van diagnoses voor  verschillende angststoornissen bij kinderen van 6 tot 18 jaar. The ADIS is een semi-gestructureerd interview en op basis van dit interview vult de interviewer een score in van 0 (none) tot 8 (very severely disturbing) in. Scores van 4 of hoger worden klinische diagnoses en onder de 4 subklinische diagnoses. De ADIS-IV wordt door vele professionals toegepast en heeft een goede reputatie voor wat betreft betrouwbaarheid en validiteit. Verschillende studies bevestigen de betrouwbaarheid en validiteit van de ADIS-IV, maar geven daarbij geen getallen (Silverman & Ollendick, 2005). In een onderzoek van DiLillo, Hayes & Hope (2006) wordt een interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van .67 tot .86 genoemd voor alle angststoornissen gezamenlijk die de ADIS-IV meet. De steekproef voor individuen met primair de diagnosis PTSS was te klein om een coëfficiënt te berekenen. Onderzoek naar een eerdere versie van de ADIS, de ADIS-R, toonde een interbeoordelaarsbetrouwbaarheid van .46 voor het vaststellen van PTSS. Een kanttekening hierbij is echter dat het onderzoek gebaseerd was op slechts drie personen (DiLillo et al., 2006).

De VVNG
De Vragenlijst Vervelende en Nare Gebeurtenissen is een vragenlijst met vijf categorieën van vragen: vragen over  (vormen van) kindermishandeling, overige vervelende en nare gebeurtenissen, conflicthantering van ouders, sociale wenselijkheid en biografische en sociaal-demografische kenmerken (Lamers-Winkelman, Slot, Bijl & Vijlbrief, 2007). De vragen uit de vragenlijst hebben betrekking op de afgelopen twaalf maanden, voor het huidige onderzoek geldt dat de vragen betrekking hebben op de periode na het eerste bezoek aan de psychiater. De VVNG wordt afgenomen vanaf het onderdeel ‘bedreigende gebeurtenissen en onveiligheid’ omdat het voorgaande deel van de vragenlijst niet relevant is voor het huidige onderzoek.

3.6           Data analyse
In het onderzoek wordt berekend of scores op de afhankelijke variabelen (risico- en beschermende factoren) significant verschillend zijn voor de twee groepen (geen versus wel PTSS vastgesteld). Hiervoor zal een zogeheten ‘one-way analysis of variance’, ofwel variantieanalyse, toegepast worden middels een ANOVA F test. Om te onderzoeken of de verschillen in variantie significant zijn, wordt de ‘Test of Between-Subjects Effects’ gedaan. De η² (Partial Eta Squared) maat geeft aan hoe sterk de relatie tussen de afhankelijke en groepsvariabele is (η² van .01, .06 en .14 worden geïnterpreteerd als respectievelijk klein, medium en grote effect size). Deze analyse kan voor de totaalscore op de vragenlijst ‘PPTF’ uitgevoerd worden, maar ook voor de afzonderlijke schalen met factoren om op deze manier een gedetailleerder beeld te krijgen van de invloed van de afzonderlijke factoren (Green et al, 2004).

Bronnen

Baartman, H.E.M. (2006), Opvoeden kan zeer doen. Over oorzaken van kindermishandeling, hulpverlening en preventie. Amsterdam: Uitgeverij SWP

Bicanic, I. & Leeuwenburgh, I. (2001). Vals alarm: de invloed van trauma op de hersenen van jonge kinderen. Tijdschrift over kindermishandeling, jaargang 15, nr.2

Bicanic, I.A.E. (2002). Geweld in de hersenen: over de neurobiologische gevolgen van kindermishandeling. Kinder- en Jeugdpsychotherapie.  www.boerhaavenet.nl

Breslau, N., Lucia C.V. & Alvarado F.G. (2006). Intelligence and other predisposing factors in exposure to trauma and posttraumatic stress disorder. Arch Gen Psychiatry, 63, 1238-1245

Brobeck, E., Markund, B., Haraldsson, K. & Berntsson, L. (2007). Stress in children: how fifth-year pupils experience stress in daily life. Journal compilation, Nordic College of caring Science; 21, 3-9

Carter, L.S., Weithorn, L.A. & Behrman, E. (1999). Domestic violence and children: Analysis and recommendations, The Future of Children9(3) 4-21

Cummings, E. M., Davies, P.T. & Campbell, S.B. (2000). Developmental psychopathology and family process: Theory, research, and clinical implications. New York: Guilford.

Dijkstra, S. (2001), Kinderen (m/v) die getuige zijn geweest van huiselijk geweld. Een basisverkenning van korte en lange termijn effecten. Bilthoven: in opdracht van Ministerie van Justitie

DiLillo, D., Hayes, S. & Hope, D.A. (2006). Sensitivity of the anxiety disorder interview schedule IV in detecting potentially traumatic childhood maltreatment. Journal of Psychopathology and Behavioral Assessment, 28 (2) June

Fletcher, K.E. (1996). Childhood Posttraumatic Stress Disorder. In E.J. Mash & R.A. Barkley (Eds), Child Psychopathology (pp. 242-276). New York: Guilford

Green, S.B. & Salkind, N.J. (2004). Using SPSS for windows and macintosh: analyzing and understanding data. New Jersey: Pearson prentice Hall.

Lamers-Winkelman, F., Slot, N.W., Bijl. B., & Vijlbrief, A.C. (2007). Scholieren over mishandeling. Resultaten van een landelijk onderzoek naar de omvang van kindermishandeling onder leerlingen van het voortgezet onderwijs. Amsterdam/ Duivendrecht: Vrije Universiteit Faculteit der Psychologie en Pedagogiek en PI research.

McCloskey, L.A. & Walker, M.M.A. (2000). Posttraumatic stress in children exposed to family violence and single-event trauma. Journal of American Academy of Child and Adolescent Psychiatry, 39 (1) 08-115

Neeleman, D. & Bolhuis, van J. (2003). Compendium hypothesetoetsen. Amsterdam: Uitgeverij Boom.

Oudshoorn, D.N., Brans, H.C.M., Duyx, J.H.M. & Eussen, J.L.J.M (1995). Kinder- en adolescentenpsychiatrie: een praktisch leerboek. Houten: Bohn Stafleu van Loghum.

Robson, C. (2002). Real world research: a resource for social scientists and practioner – researchers. Blackwell publishing Ltd. 2nd edition.

Shaw, A.J  (2000). Children, adolescents and Trauma. Psychiatric Quarterly, 71, (3)

Silverman, W.K. & Ollendick, T.H. (2005). Evidence-based assessment of anxiety and its disorders in children and adolescents. Journal of Clinical Child and Adolescents Psychology, 34 (3) 380-411

Totten, M. D. (2001). Maltreated kids, violent adolescents: Is there a link? Draft discussion paper prepared for family violence prevention unit, Health Canada, 63

Tsaj, M., Feldman-Summers & S., Edgar, M. (1979). Variables related to differential impact on psychosexual functioning in adult women. Journal of Abnormal Psychology, 88(4) 407-417

Udwin, O., Boyle, S., Yule, W., Bolton, D. & O’Ryan, D. (2000). Risk factors for a long-term sychological effects of a disaster experienced in adolescence: Predictors of post traumatic stress disorder. Journal of child psychology and Psychiatry and allied disciplines, 41(4) 969-979

Verhulst, F.C. & Verheij, F. (2003) Kinder- en Jeugdpsychiatrie, onderzoek en diagnostiek Assen: Koninklijke Van Gorcum BV

Wenar, C., Kerig. P. (2000). Developmental Psychopathology. New York: McGraw Hill

Wentzel, W., Haalboom, A., Meinster, N. & Ruiter, A. de (2004). Kind tussen twee vuren. Preventie- en hulpprogramma’s voor kinderen die getuige zijn (geweest) van huiselijk geweld. Utrecht: TransAct

Widom, C. (1991) Avoidance of criminality in abused and neglected children, Psychiatry, 54, 162-175.

FacebookTwitterPinterest

full post »
next page next page close

Gehechtheidsgedrag naar groepsleiding: verschillen tussen kinderen met een verstandelijke beperking met en zonder een stoornis in het autismespectrum

B-these Orthopedagogiek

Vrije Universiteit Amsterdam

Faculteit Psychologie en Pedagogiek

 

1.  Inleiding

Probleemstelling
Voor de ontwikkeling van een kind is een veilige hechting erg belangrijk (Colin, 1996). Vaak is de moeder of vaderfiguur de belangrijkste hechtingspersoon voor een kind. Dit onderzoek richt zich op kinderen met een verstandelijke beperking met of zonder een stoornis in het autistische spectrum binnen een residentiele setting.  Deze kinderen brengen veel tijd door in een setting omdat ze vaak niet (meer) thuis kunnen wonen. Ze hebben vaak meer contact met groepsleiding dan met hun vader en moeder, terwijl normaal gesproken de ouders de belangrijkste hechtingsfiguren zijn. Binnen de groepsopvang voor kinderen met een verstandelijke beperking is de rol van de begeleiders dus erg belangrijk. Daarom is besloten om te onderzoeken of deze kinderen zich kunnen hechten aan groepsleiding en of ze dit ook laten zien in hun gedrag. Het is namelijk onduidelijk of hechting tot stand komt in de groepsopvang. Er is tot op heden weinig empirisch onderzoek gedaan naar dit onderwerp. Hoe ziet hechtingsgedrag eruit, zit er variatie en structuur in?
Binnen residentiele settings voor verstandelijk beperkte kinderen verblijven ook kinderen die daarbij een autisme spectrum- stoornis hebben. Het is onduidelijk of deze combinatie gevolgen heeft voor de ontwikkeling van de gehechtheidsrelatie met groepsleiding. De eerste onderzoeksvraag is dan ook:

In hoeverre verschilt het hechtingsgedrag dat verstandelijk beperkte kinderen met autisme laten zien van het hechtingsgedrag dat verstandelijk beperkte kinderen zonder autisme laten zien?

Voor de ontwikkeling en het functioneren van een kind is het belangrijk dat hij zich veilig en beschermd voelt, ondersteuning voor exploratie ontvangt, troost vindt wanneer het zich niet op zijn gemak voelt en hulp zoekt en accepteert wanneer het dat nodig heeft (Colin, 1996). Deze (en andere) gedragingen kunnen volgens Cooper, Hoffman, Marvin en Powell (1999) onderscheiden worden in veilige haven- en veilige basisgedrag. Deze typologie wordt later in dit artikel nader verklaard. De vraag is of bij verstandelijk beperkte kinderen met of zonder autisme in een residentiële instelling dit onderscheid terug gezien wordt en of er samenhang bestaat tussen deze twee vormen.

Kinderen hebben meestal de voorkeur voor één persoon, meestal de moeder, waarnaar het kind het meeste gehechtheidsgedrag laat zien (Colin, 1996) Als kinderen hechtingsgedrag laten zien in de groepsopvang, is er dan preferentie voor één of meerdere groepsleiders? In dit onderzoek wordt door twee groepsleiders beschreven welke gehechtheidsgedragingen de kinderen uit hun groep laten zien naar de betreffende groepsleiders en of dit gedrag per kind en per groepsleider varieert, en dus relatiespecifiek is. De onderzoeksvraag die hieraan gekoppeld is:  In hoeverre verschilt de preferentie van hechtingsgedrag naar begeleiders dat verstandelijk beperkte kinderen met autisme laten zien van de preferentie van hechtingsgedrag naar begeleiders dat verstandelijk beperkte kinderen zonder autisme laten zien?

Theorie
Ter verduidelijking van de vraagstelling worden de begrippen ‘hechting’, ‘verstandelijke beperking’ en ‘autisme’ uit de vraagstelling gedefinieerd.

Hechting gedefinieerd
Bowbly en Ainsworth (1969) definiëren een hechtingsrelatie als een affectieve band die men aangaat en zich karakteriseert als een tendens om nabijheid te zoeken bij een specifiek persoon, vooral als stress ervaren wordt, meestal de moeder (Colin, 1996). Vroege hechtingsrelaties vormen de basis voor alle relaties die een kind in zijn verdere leven zal aangaan. Hechtingsgedragingen, zoals huilen, reiken, benaderen, vasthouden/vastpakken, laten de hechtingsrelatie zien maar ze vormen niet de hechting zelf. De hechting is de emotionele band, niet het gedrag. Hechting is een langdurige relatie, niet een kortstondige bevrediging. De hechting is met een specifiek persoon. Als die persoon aanwezig/beschikbaar is als het kind comfort of bescherming nodig heeft, krijgt die persoon de voorkeur (Colin, 1996). Als die persoon om een reden niet meer in de aanwezigheid van het kind kan zijn, bijvoorbeeld als die overlijdt, wordt die persoon gemist. Andere relaties zijn vaak ook waardevol, maar niemand lijkt de plek van een persoon te kunnen vervangen met wie het kind een hechtingsrelatie heeft. Specifieke gedragingen van kinderen ten aanzien van hechting zijn huilen, lachen, praten, reiken, benaderen, volgen, vasthouden/ vastpakken en deze kinderen protesteren heftig als ze alleen worden gelaten of met vreemden. Het kind zoekt meteen contact met de hechtingpersoon, vooral als het angst ervaart, ziek of moe is, of op een andere manier stress ervaart of behoefte heeft aan zorg en bescherming (Colin, 1996).

Cooper, Hoffman, Marvin en Powell (1999) hebben op basis van de hechtingstheorie de zogenaamde “Cirkel van Veiligheid” ontwikkeld. Zij maken een onderscheid tussen de opvoeder als veilige basis en veilige haven.

De veilige basis houdt in dat het kind zich door de opvoeder in zijn exploratie gesteund voelt. Het kind gaat er onbewust vanuit dat de opvoeder op hem zal letten, hem zal helpen wanneer iets niet lukt  en het plezier met hem deelt. Kortom, het kind vertrouwt erop een veilige basis te hebben van waaruit hij kan exploreren.

De veilige haven wil zeggen dat het kind voelt dat hij bij de opvoeder terecht kan wanneer het angst ervaart, pijn heeft of gerust gesteld wil worden. Het kind voelt dat de opvoeder plezier in hem beleeft, en weet dat de opvoeder ervoor zal zorgen dat zijn gevoelens in juiste banen worden geleid. Het kind weet dat het een veilige haven heeft waartoe het zich kan wenden wanneer het nabijheid nodig heeft. (Cooper, Hoffman, Marvin&Powell, 1999)

Verstandelijke handicap gedefinieerd
In de literatuur worden vele benamingen gebruikt voor de problematiek van kinderen met beperkte intellectuele vermogens. Classificatiesystemen, met name de DSM-IV, hanteren de term zwakzinnigheid, terwijl de begrippen verstandelijke beperking, intellectuele beperking en mentale retardatie zich ook regelmatig voordoen. In Nederland wordt tegenwoordig bij voorkeur gesproken over een verstandelijke handicap (Sanders-Woudstra, e.a. 2001).

De definitie van het begrip verstandelijke handicap van de American Association on Mental Retardation (AAMR) luidt: “een duidelijk lager dan gemiddeld, algemeen intellectueel functioneren, dat gepaard gaat met tekorten in adaptief gedrag en zich openbaart gedurende de ontwikkelingfase van het kind” (Luckasson, e.a. 1992). Volgens de AAMR is er sprake van een verstandelijke beperking indien er aan twee basiscriteria wordt voldaan: het intelligentiecriterium en het zelfredzaamheidcriterium.

De DSM IV (1994) omschrijft een verstandelijke handicap met behulp van de volgende kenmerken:

  1. Een verstandelijk duidelijk onder het gemiddelde functioneren: een IQ van 70 of minder bij een individueel toegepaste IQ test (bij zeer jonge kinderen op basis van een inschatting op basis van een verstandelijk significant onder het gemiddelde functioneren).
  2. Gelijktijdige tekortkomingen in het aanpassingsgedrag, passend bij de normen die behoren bij de leeftijd en culturele achtergrond. Het gaat daarbij om tenminste twee van de volgende vaardigheden: communicatie, zelfredzaamheid, wonen, sociale vaardigheden, gebruik maken van de samenleving, zelfbepaling, gezondheid en veiligheid, functionele schoolse vaardigheden, ontspanning en werken.
  3. Openbaring tijdens de ontwikkelingsfase, dus voor het achttiende levensjaar.

Om te kunnen spreken van een verstandelijke handicap wordt uitgegaan van het intelligentieniveau. De DSM onderscheidt vier categorieën, af te lezen in tabel 1.

Tabel 1

Verstandelijke handicap naar intelligentieniveau (Bron: DSM- IV)

Mate van verstandelijke handicap     IQ-score

Licht                                                         55 tot 70

Matig                                                       40 tot 55

Ernstig                                                     25 tot 40

Diep                                                          lager dan 25

Een verstandelijke handicap is een ontwikkelingsstoornis, waarbij het lage intellectueel functioneren centraal staat. Hierdoor is er een vertraagde ontwikkeling op sociaal, cognitief en emotioneel gebied. Deze kinderen kunnen op een aantal belangrijke levensgebieden specifiek kwetsbaar zijn. Door hun cognitieve beperking krijgen ze maar moeizaam grip op hun omgeving en raker zij sneller gedesintegreerd door een voor hen moeilijk te verwerken gebeurtenis. Bovendien lukt het hen vaak niet goed om aan de mensen in hun omgeving duidelijk te maken wat ze graag willen en wat hen dwars zit. Door voortdurend te ervaren minder te kunnen, hebben zij mogelijk een negatief zelfbeeld. Psychopathologie zoals ADHD, PDD-nos, agressie en emotionele problemen zoals teruggetrokken, depressief of sociaal-angstig gedrag komen regelmatig voor in combinatie met de mentale retardatie (Wenar&Kerig, 2000).

Autisme gedefinieerd
Wenar en Kerig (2000) maken bij autisme een onderscheid tussen drie gebieden waarop problemen geconstateerd worden, afgeleid uit de DSM IV criteria, namelijk op het gebied van aangaan van relaties, op het gebied van communicatie en beperkte en stereotype interesses en gedragingen.

 Problemen met het aangaan van relaties
Kinderen met autisme zijn vaak extreem sociaal geïsoleerd en moeilijk in staat om relaties aan te gaan met andere mensen. Er zijn drie types in te delen wat betreft het sociale contact. Ten eerste is er het afzijdige type (aloof type). Deze kinderen zijn teruggetrokken en reageren niet op pogingen tot contact door anderen. Ze zoeken geen oogcontact en proberen dit ook vaak te vermijden. Deze kinderen hebben niet graag lichamelijk contact en willen niet geknuffeld worden. Als ze andere mensen benaderen, is dat alleen omdat zij instrumentele behoeften vervuld willen zien. Zij benaderen anderen niet om emotionele behoeften te vervullen. De tweede groep bevat de passieve kinderen (passive type). Deze kinderen accepteren sociale initiatieven van anderen, maar op een passieve manier. Hun interactie met anderen wordt gekenmerkt door routine, ze maken geen contact voor hun plezier. Ze zijn heel erg meegaand. De derde groep bevat het ‘odd type’ kinderen. Deze kinderen zijn zeer geïnteresseerd in andere mensen maar zij houden zich hierbij niet aan sociale normen. Een kind kan gedurende zijn ontwikkeling tot verschillende groepen behoren (Kraijer, 2004).
Problemen met communicatie
Communicatieproblemen bij autistische kinderen zijn vaak ernstig. Deze problemen kunnen variëren van mutisme, het niet spreken, tot non communicatieve spraak. Kenmerkende vormen van non communicatieve spraak zijn echolalie en idiosyncrasie (Kraijer, 2004). De communicatieproblemen zijn vaak ook op de betekenis gericht. Autistische kinderen vatten zaken vaak heel letterlijk op. Daarnaast praten autistische kinderen vaak op een monotone manier en ook wordt dikwijls een heel formeel taalgebruik gehanteerd. In hun spel, wat ook als communicatiemiddel gebruikt wordt, valt het op dat autistische kinderen niet snel fantasiespel gebruiken (Wenar&Kerig, 2000).
Beperkte en stereotype interesses en gedragingen
Er kan een opvallend grote behoefte aan structuur en orde zijn bij autistische kinderen. Deze behoefte wordt gericht op zowel het eigen gedrag als op de omgeving (Wenar&Kerig, 2000).

Comorbiditeit
Na deze nadere toelichtingen op de begrippen uit de vraagstelling rijst wellicht de vraag waarom er nu juist gekozen is om onderzoek te doen naar het verschil in hechtingsgedrag van kinderen met een verstandelijke beperking, al dan niet in combinatie met een stoornis in het autistische spectrum. Uit literatuuronderzoek blijkt dat er in de praktijk regelmatig sprake is van co-morbiditeit van autisme met een verstandelijke handicap. Verscheidene studies (Kraijer&Plas, 2004) wijzen uit dat ongeveer 75% van de kinderen met autisme ook mentaal geretardeerd is, met IQ- scores beneden de 70. Deze studies zijn gebaseerd op klinische populaties en bevatten alleen degenen die de ernstigste vorm van autisme hebben. In een Engelse studie is rekening gehouden met alle vormen die binnen het autistische spectrum voorkomen. In deze studie vond men dat 35% van de kinderen met stoornissen binnen het gehele autistische spectrum cognitieve vaardigheden hadden binnen de marge van mentale retardatie (Wenar&Kerig, 2000).

Gezien deze gegevens moge het duidelijk zijn waarom deze studie zich richt op het verschil van gehechtheidsgedrag bij kinderen met een verstandelijke beperking wel of niet gecombineerd met autisme. Maar vanwaar de bijzondere interesse naar het hechtingsgedrag van deze groep? Zoals gezien bij de definitie van hechting is het vormen van veilige hechtingrelaties belangrijk voor de ontwikkeling van een kind. In de onderstaande tekst zullen wij duidelijk maken waarom kinderen met een verstandelijke beperking al dan niet in combinatie met een stoornis in het autistische spectrum zo’n kwetsbare groep vormen ten aanzien van het aangaan van veilige hechtingsrelaties

Gehechtheidsgedrag naar professionele begeleiders
Kinderen met een verstandelijke beperking lopen een groter risico op het ontwikkelen van een onveilige hechtingsrelatie met hun ouders. Daarom is het van groot belang om te kijken naar andere hechtingsrelaties in hun omgeving. Een groepssetting kan zo’n alternatief zijn voor een kind met een verstandelijke beperking. In het artikel van Schipper, Stolk en Scheungel (2005) wordt de vraag gesteld of kinderen met een verstandelijke beperking gehechtheidsgedrag laten zien naar hun groepsleiding (Schipper, Stolk&Schuengel, 2005).

De onderzoekers voeren drie argumenten aan voor het bestaan van een gehechtheidsrelatie tussen verstandelijk beperkte kinderen en hun professionele verzorgers in dagcentra. In de eerste plaats is variatie in hechtingsgedrag gevonden tussen de onderzochte kinderen. Bij “normaal” ontwikkelde kinderen wordt vaak een grote variatie in hechtingsgedrag gezien. Bij de vijf kinderen waar het onderzoek betrekking op had, is ook variatie in het gehechtheidsgedrag gevonden. Als er geen verschillen in gehechtheidsgedrag tussen deze kinderen was gevonden, zou het meer voor de hand liggen dat deze gehechtheidsgedragingen niet toe te schrijven zijn aan het bestaan van een gehechtheidsrelatie met de primaire verzorger. Op de tweede plaats vonden de onderzoekers weinig duidelijke verschillen tussen de subgroepen ‘hoog functionerende’ en ‘laag functionerende’ kinderen. Daarnaast vonden ze ook geen duidelijk verschil tussen kinderen met en zonder autisme en PDD-NOS. Als er wel grote verschillen waren gevonden in deze subgroepen dan was het gehechtheidsgedrag eerder toe te schrijven aan de karakteristieken van die subgroep, dan aan de gehechtheidsrelatie in het specifieke contact van het kind met de verzorger. Ten derde is er een overeenkomst gevonden tussen de gehechtheid zoals gescoord door de observatoren en de gehechtheid zoals beoordeeld door de professionele verzorgers. Deze bevinding laat de betrouwbaarheid van de observaties zien. Hier moet wel bij vermeld worden dat de onderzoeksgroep klein (vijf kinderen) en divers is. De resultaten suggereren dat professionele verzorgers een beschermende functie hebben voor het kind (Schipper, Stolk&Schuengel, 2005).

Bijkomende problemen ten aanzien van het vormen van veilige hechtingsrelaties bij kinderen met een verstandelijke handicap
Bij kinderen met een verstandelijke handicap kunnen gedragsproblemen een grote belemmering vormen voor het ontwikkelen van gehechtheidsgedrag. Wanneer een kind met een verstandelijke beperking stress ervaart en niet weet hoe hij zich in deze situatie moet gedragen en geen vast hechtingsfiguur in de buurt heeft, dan resulteert dit vermoedelijk in probleemgedrag. Dit kan zich op verschillende manieren manifesteren. Terugtrekgedrag, dissociatieve symptomen en agressie zijn veel voorkomende vormen waarin dit probleemgedrag zich kan openbaren (Schipper, Stolk&Schuengel, 2005).

Het stress-hechtingsmodel (Janssen et al. 2002) wijst hechtingsrelaties aan als belangrijke beschermingsmechanisme tegen gedragsproblemen. Kinderen verschillen in de manier waarop zij gehecht zijn. Veilig gehechte kinderen zien hun verzorger als een ‘veilige basis’ van waaruit zij kunnen exploreren. Zij vertrouwen erop dat zij kunnen terugvallen op de ‘veilige haven’. Onveilig gehechte kinderen hebben dit vertrouwen niet. Ze hebben niet het gevoel dat zij op iemand kunnen terugvallen en worden hierdoor onvoldoende in staat gesteld op een gezonde manier hun omgeving te exploreren/te onderzoeken.

Kinderen met een veilige hechting kunnen hun emoties beter reguleren in stress-situaties en als de situatie te dreigend op ze overkomt, zoeken ze de veilige nabijheid van hun hechtingsfiguur. Kinderen met een verstandelijke handicap kunnen meer vatbaar zijn voor stress en minder goed in staat zijn om op een gepaste wijze om te gaan met een stress situatie. Voor hen zijn hechtingsfiguren dus extra belangrijk omdat een veilige hechtingsbasis kan bijdragen aan goed gereguleerde emotionele reacties in stress situaties (Schipper, Stolk&Schuengel, 2005). Mensen met een verstandelijke beperking lopen echter risico om onveilige hechtingsrelaties te ontwikkelen, met name een gedesorganiseerde hechting (Janssen, Schuengel&Stolk, 2002).

In het onderzoek van Janssen et al. (2002) worden drie oorzaken onderscheiden die bijdragen aan de totstandkoming van een mogelijk onveilige hechting. De eerste oorzaak voor een onveilige hechting bij kinderen met een verstandelijke handicap is ‘parental stress’. Sommige ouders vinden het moeilijk om te verwerken dat hun kind een verstandelijke handicap heeft en kunnen zich onzeker voelen waardoor er bij het kind een gevoel kan ontstaan dat het onvoldoende kan bouwen op zijn ouders. Wanneer de hechtingsfiguur zelf een bron van angst is, kan het hechtingssysteem zijn rol niet vervullen. De bron van veiligheid is tegelijkertijd de bron van angst. Dit patoon voorspelt een gedesorganiseerde hechting. (Schipper, Stolk&Schuengel, 2005). Ten tweede geven kinderen met een verstandelijke handicap voor ouders vaak onduidelijke signalen af waardoor het voor de ouders moeilijk is om adequaat op het kind te reageren (ineffective parenting) (Van IJzendoorn et al. 1992).

De laatste belangrijke oorzaak is een verlaagd cognitief niveau; een kind met bijvoorbeeld een defecte objectpermanentie zal in een bijna constante separatieangst verkeren, omdat het niet begrijpt dat iemand er nog steeds is, ook wanneer diegene zich buiten het gezichtsveld van het kind begeeft (Janssen, Schuengel&Stolk, 2002). Kinderen met een verstandelijke handicap lopen dus om drie redenen een groter risico onveilige gehechtheidsrelaties te ontwikkelen met hun ouders. Voor hen zouden dus alternatieve gehechtheidsrelaties met groepsleiders van betekenis kunnen zijn.

Bijkomende problemen ten aanzien van het vormen van veilige hechtingsrelaties bij kinderen met een stoornis in het autistische spectrum
In hoeverre verloopt de hechting bij kinderen met autisme anders dan bij kinderen zonder autisme? Hier zullen eerst enkele bevindingen uit eerder onderzoek weergegeven worden.

Rutgers, Bakermans-Kranenburg et al. (2004) hebben in hun meta-analytische studie gevonden dat in een aantal onderzoeken ondersteuning is gevonden voor het feit dat ondanks de beperkingen in wederzijdse sociale contacten, er toch hechtingsgedrag bij kinderen met autisme gezien wordt (Rutgers, Bakermans-Kranenburg, Ijzendoorn en Berckelaer-Onnes, 2004). In dit onderzoek blijkt tevens dat verschillende onderzoeken verschillende antwoorden geven op de vraag naar de kwaliteit van de hechting bij autistische kinderen. Vier van de onderzochte studies rapporteerden een lager aantal veilig gehechte kinderen in de groep autisten en zes andere studies rapporteerden een grote groep veilig gehechte kinderen in de groep van autistische kinderen of vonden geen significante verschillen in de kwaliteit van de hechting.

Waarom is deze groep zo kwetsbaar ten aanzien van het aangaan van veilige hechtingsrelaties? Volgens Wenar en Kerig (2000) is hechting meer dan alleen het zoeken naar een veilige basis. Het heeft ook te maken met een interne representatie van de ouder en de ouder-kind relatie. Deze complexe mentale verbeeldingen zijn waarschijnlijk niet aanwezig bij kinderen met autisme. Een kind met autisme kan wel een beeld hebben van de moeder als een persoon waar het veiligheid en vervulling van concrete behoeften kan vinden, maar niet als persoon met eigen rechten, eigen gedachten, motieven, wensen en persoonlijkheid (Wenar&Kerig, 2000).

Wenar en Kerig (2000) beschrijven een mogelijk verband tussen o.a. hechting als ontwikkelingsgebied met een mogelijke verklaring voor de onderliggende processen van autisme. Vanwege het gebrek aan affectieve banden met verzorgende personen (ouders/opvoeders), wordt vaak geredeneerd dat een stoornis in de hechting een oorzaak is van de kern van autisme. In Kanners eerste beschrijvingen van autisme nam hechting dan ook een centrale plaats in (in: Wenar&Kerig, 2000). Daarnaast werd autisme in de eerste DSM taxonomie beschreven als: ‘het zich niet normaal ontwikkelen van hechtingsgedrag’ (Rutgers, Bakermans-Kranenburg et al. 2004) Hierbij moet echter wel benadrukt worden dat er géén sprake is van afwezigheid van hechting.

Studies met de Ainsworth Strange Situation laten resultaten zien dat 40-50% van de kinderen met autisme veilig gehecht zijn (Wenar&Kerig, 2000). Dit komt in de buurt van de 65% gevonden in de gehele populatie. Een verklaring hiervoor zou gevonden kunnen worden in het feit dat het voor het overleven van een persoon belangrijk is om in onveilige situaties nabijheid van een verzorgende persoon te zoeken. Dit is een evolutionair gegeven. Hierdoor kan het zijn dat zelfs kinderen met ernstige psychopathologie hechtingsgedrag laten zien in de Strange Situation (Wenar&Kerig, 2000).
Toch worden er verschillen gevonden tussen zich normaal ontwikkelende kinderen en kinderen met autisme in verband met hechting. Gehechtheidgedragingen veroorzaken bij kinderen met autisme niet hetzelfde emotionele plezier en zijn niet zo wederkerig als bij zich normaal ontwikkelende kinderen. Gedragingen van autistische kinderen zijn vaak stereotiep, zoals het klappen in de handen. Het gehechtheids-gerelateerde gedrag is meer gevarieerd gedurende de ontwikkeling dan bij zich normaal ontwikkelende kinderen (Wenar&Kerig, 2000).

Samenvattend kunnen we dus zeggen dat de meningen tot nu toe verdeeld zijn ten aanzien van het hechtingsgedrag bij autistische kinderen. Hoewel er in sommige studies geen significante verschillen gevonden worden tussen kinderen zonder autistische stoornis en kinderen met een autistische stoornis aangaande een veilige hechting, moge het duidelijk zijn dat autistische kinderen desondanks een kwetsbare groep vormen wanneer het gaat om hechting. Met hun afwijkend cognitief vermogen en het gebrek aan zichtbare affectieve banden met hun verzorgers zal er weliswaar hechting tot stand komen, maar het vermoeden blijft bestaan dat de totstandkoming van deze hechtingsrelatie anders verloopt dan bij kinderen zonder autisme en dat de aard van de hechtingsrelaties verschilt van de aard van hechtingsrelaties die kinderen zonder autistische stoornis aangaan.

2.  Hypothesen
Uit de gevonden literatuur blijkt dat de ontwikkeling van hechting voor kinderen met een verstandelijke beperking op een andere manier verloopt dan voor kinderen zonder de verstandelijke beperking. Ook voor kinderen met autisme verloopt de ontwikkeling van hechting anders dan bij kinderen die niet autistisch zijn. Dit onderzoek richt zich op kinderen met een verstandelijke handicap. Omdat verstandelijke beperkingen en stoornissen in het autistisch spectrum zoals eerder gezegd vaak samengaan, wordt gekeken naar het verschil in hechting tussen verstandelijk beperkte kinderen met of zonder een stoornis binnen het autistische spectrum. Op basis van de gevonden literatuur wordt verwacht dat:

 Kinderen met een verstandelijke beperking en een stoornis in het autistische spectrum laten minder hechtingsgedrag zien dan kinderen met een verstandelijke beperking die geen stoornis in het autistische spectrum hebben.

De veilige basis houdt in dat het kind zich door de opvoeder in zijn exploratie gesteund voelt. De veilige haven wil zeggen dat het kind voelt dat het bij de opvoeder terecht kan wanneer het angst ervaart, pijn heeft of gerust gesteld wilt worden. Er wordt verwacht dat deze twee onderscheidingen terug gevonden worden in de gedragingen van de kinderen in het onderzoek. De hypothese luidt:

Veilig basisgedrag en veilige haven gedrag kan duidelijk onderscheiden worden in de gedragingen van kinderen met een verstandelijke beperking met of zonder autisme in groepsopvang.

Er is niet veel literatuur gevonden over het veilige basis- en veilige havengedrag bij verstandelijk gehandicapte kinderen in groepsopvang. Wij achten het heel belangrijk om specifiek naar het onderscheid tussen deze gedragingen te kijken. Op deze manier kunnen bijzonderheden opgemerkt worden. De hypothesen die in dit verband opgesteld zijn:

Kinderen met een verstandelijke beperking en een stoornis in het autistische spectrum laten minder veilig basisgedrag zien dan kinderen met een verstandelijke beperking die geen stoornis in het autistische spectrum hebben.

Kinderen met een verstandelijke beperking en een stoornis in het autistische spectrum laten minder veilig havengedrag zien dan kinderen met een verstandelijke beperking die geen stoornis in het autistische spectrum hebben.

In de probleemstelling is ingegaan op de mogelijkheid dat een verstandelijk beperkt kind in groepsopvang één of meerdere groepsleiders heeft aan wie hij gehechtheidsgedrag laat zien. Over dit onderwerp is weinig empirisch onderzoek gedaan. Wel is bekend dat hechtingsgedrag de band is die zich bijna altijd ontwikkelt tussen een kind en de hoofdverzorger (vaak de moeder). Als dit doorgetrokken wordt naar de groepsopvang voor verstandelijk gehandicapte kinderen, kan de volgende hypothese opgesteld worden:

Verstandelijk gehandicapte kinderen met of zonder autisme hebben binnen groepsopvang één preferentiefiguur aan wie hij het meeste gehechtheidsgedrag laat zien.

3.  Methodesectie

Type design
De vragen die in het onderzoek beantwoord werden, zijn comparatief van aard. De studie zoekt naar antwoorden op de vraag of er een verschil is tussen het hechtingsgedrag van kinderen met een verstandelijke handicap die wel of niet de diagnose autisme hebben. Het verschil tussen kinderen met en zonder deze diagnose is beschreven. Het onderzoek is descriptief en valt binnen het door Robson (2002) beschreven fixed design.

Om de vraagstelling te kunnen beantwoorden, werd onderzoek gedaan bij ‘De Kleine Johannes’ en ‘Ons Tweede Thuis’, instellingen voor kinderen met een verstandelijke handicap. Gedragscoördinatoren, begeleiders, stagiaires, invalkrachten en kinderen met een stoornis in het autisme spectrum werden hierin betrokken.

Steekproef
De analyse-eenheid van dit onderzoek betreft kinderen met een verstandelijke beperking met of zonder autisme. Er werd een vragenlijst voorgelegd aan groepsleiders, stagiaires en vaste invalkrachten binnen de ze instelling, om zicht te krijgen op hun ideeën over gehechtheidsgedrag van kinderen in hun groep. Zo kan achterhaald worden of zij bij de kinderen hechtingsgedrag herkennen en ook of een kind zich veilig en beschermd voelt, ondersteuning voor exploratie ontvangt en hulp zoekt en accepteert wanneer hij dat nodig heeft. Voor elke groep deed (ongeveer) de helft van de kinderen mee. De kinderen werden willekeurig gekozen door middel van loting. Over elk kind hebben twee groepsleiders een vragenlijst ingevuld. De toekenning wie over welk kind een vragenlijst in zou vullen, gebeurde eveneens door loting. Dit betekende dat de meeste groepsleiders 1 à 2 vragenlijsten hebben ingevuld.

Daarnaast werd de gedragscoördinator of gedragsdeskundige van elke groep die ondervraagd werd in het onderzoek betrokken, om te fungeren als belangrijke schakel ten behoeve van de anonimiteit van de dataverzameling. Hen werd ook gevraagd een korte vragenlijst in te vullen over het ontwikkelingsniveau van elk kind, eventuele diagnoses en handicaps. Deze lijst kon eventueel ook door een coördinator of teamleider worden ingevuld die (toegang tot) deze kennis heeft.

Er waren geen exclusiecriteria voor deelname van een kind aan het onderzoek. Professionals moesten een kind tenminste 2 weken kennen.

Procedure
In de eerste plaats zijn de groepsleiding, gedragsdeskundigen en ouders van de opgenomen kinderen in De Kleine Johannes en Ons Tweede Thuis door de Vrije Universiteit per brief geïnformeerd over het onderzoek. Ouders werden benaderd door de gedragsdeskundige om toestemming voor deelname van hun kind aan het onderzoek. De gedragsdeskundige betrok de groepsleiding ook bij het onderzoek.

Alle gegevens werden anoniem verzameld. De coördinator van het onderzoek op de instelling had een genummerde lijst met namen van kinderen en namen van groepsleiders gemaakt. Op basis van het aantal kinderen en aantal groepsleiders in een groep heeft de Vrije Universiteit de loting uitgevoerd. Vervolgens werden na deze loting de nummers weer aan de namen gekoppeld door de coördinator. Wanneer dit georganiseerd was, hebben de onderzoekers van de Vrije Universiteit de vragenlijsten uitgedeeld bij beide instellingen. Aan de groepsleiding werd een korte presentatie gegeven. Twee weken later zijn de lijsten verzameld en was er gelegenheid tot het stellen van vragen. De coördinator van de instelling had ervoor gezorgd dat de data geanonimiseerd waren voordat ze aan de Vrije Universiteit werden overgedragen. Hierna blijven de gegevens eigendom van de universiteit. Terugrapportage vindt plaats op groepsniveau; per groep en voor heel De Kleine Johannes en Ons Tweede Thuis kan er aangegeven worden in hoeverre kinderen gehechtheidsgedrag laten zien.

Instrumenten
De “Observatielijst Gehechtheidsgedrag” is een nieuw ontwikkelde lijst door de afdeling Orthopedagogiek van de Vrije Universiteit. Het bestaat uit een A- en B-exemplaar. Uit deze beide delen werd de vragenlijst “Gehechtheidsgedrag van het kind” gebruikt. Hierin zijn 22 gedragingen van het kind opgenomen. Elke vraag heeft een a- en een b-gedeelte. Bij item a wordt gevraagd naar het gedrag van het kind naar andere groepsleiders. Bij item b wordt gevraagd naar hetzelfde gedrag van het kind in de specifieke relatie met deze groepsleider. Op deze manier kon hechtings- en preferentiegedrag van het kind worden onderzocht. Om deze lijst goed in te vullen was het de bedoeling dat de groepsleiding gedurende een dag tijdens de dagelijkse werkzaamheden wat meer let op het betreffende kind.

De observatielijst is gebaseerd op de Attachment Q-Sort (AQS). Dit is een instrument om de kwaliteit van hechting te meten. Het bevat 90 items, opgesteld om geobserveerd gedrag van kinderen te beschrijven tijdens interactie met hun verzorgers. De items zijn speciaal ontwikkeld om te voorzien in een ruime veelomvattende karakterisering van het gebruik van de ouder als een veilige basis (bijv. de balans tussen nabijheid zoeken en exploratief gedrag) (Waters, 1987). Uit eerder onderzoek naar gehechtheidsgedrag en groepsleiding is gebleken dat de AQS goed en redelijk betrouwbaar is om observaties te verrichten bij verstandelijk gehandicapte kinderen.

De Aberrant Behavior Checklist (ABC) is een gestandaardiseerde gedragsschaal die is ontwikkeld om gedragsproblemen bij mensen met ontwikkelingsstoornissen te meten. Door middel van factoranalyse bleken er vijf subschalen onderscheiden te kunnen worden: (1) Irritability, Agitation, Crying, (2) Lethargy, Social Withdrawal, (3) Stereotypic Behavior, (4) Hyperactivity/Noncompliance, en (5) Inappropriate Speech. De ABC is een vragenlijst die kan worden ingevuld door iedere volwassene die enige verantwoordelijkheid heeft ten opzichte van het kind en het kind goed kent. Enkele studies hebben de psychometrische eigenschappen van de ABC getest. Bij factoranalyse kwamen dezelfde vijf subschalen aan het licht en bleek er sprake van een hoge test-hertestbetrouwbaarheid (Aman, Brown en Havercamp, 2000).

Data-analyse
De analyse van de data is gebeurd door codering van de antwoorden, waarna deze in SPSS zijn ingevoerd. Vervolgens zijn de resultaten door middel van t-toetsen geanalyseerd.

4.  Resultaten

Cronbach’s alpha
Om te beoordelen of de gehechtheidsvragenlijst, ingevuld door groepsleiders, een betrouwbare lijst is, werd de Cronbach’s alpha berekend. Deze werd bepaald voor de a- en b-items bij groepsleider 1 en 2, waarvan de resultaten afleesbaar zijn in tabel 1 en 2.

De alpha’s in tabel 1 zijn gebaseerd op een kleine N. In tabel 2 zijn de ‘niet van toepassing’ vragen, die als missing data werden beschouwd, gehercodeerd naar de middelste schaalwaarde 4; noch kenmerkend/noch niet kenmerkend. Deze schaalwaarde benadert het dichtst de betekenis van de niet van toepassing vragen. In het vervolg wordt er weer gewerkt met de oorspronkelijke data zonder hercodering van de niet van toepassing vragen.

Tabel 1

Cronbach’s alpha voor oorspronkelijke data voor beide respondenten en voor beide onderdelen van de vragenlijst ( 8=8)

Groepsleider 1

Groepsleider 2

 Item A (N=23)

.93

 

Item B (N=24)

.93

Item A (N=19)

.93

Item B (N=21)

.94

 

Tabel 2

Cronbach’s alpha voor gehercodeerde data voor beide respondenten en voor beide onderdelen van de vragenlijst ( 8=4)

Groepsleider 1

Groepsleider 2

 Item A (N=80)

.91

 

Item B (N=80)

.91

Item A (N=80)

.93

Item B (N=80)

.93

 

Tabellen 1 en 2 laten zien dat de interne consistentie van de vragenlijst hoog is en dat daarom een optelling of een gemiddelde van de items op deze vragenlijst een zinvolle score geeft.

Interbeoordelaars betrouwbaarheid

Tabel 3

Interbeoordelaars betrouwbaarheid op de gemiddelde score op de a- en b-items tussen groepsleider 1

en 2. N= 80

  Pearson correlatie

 

a-items tussen GR1 en GR2

 

   .62 **
b-items tussen GR1 en GR2

 

   .62 **
a- en b-items tussen GR1 en GR2

 

   .63 **

** p < .01

Tabel 3 laat zien dat de correlatie hoog is (>.50), maar de interbeoordelaars betrouwbaarheid is te laag (<.70). Met name moet in tabel 3 gekeken worden naar de betrouwbaarheid van de a-items, omdat beide beoordelaars daarin een beoordeling geven van gehechtheidsgedrag ten opzichte van (nagenoeg) dezelfde groep groepsleiders.

Verstandelijke beperking, autisme en gehechtheidsgedrag
Op basis van de gevonden literatuur werd verwacht dat kinderen met een verstandelijke beperking en een stoornis in het autistische spectrum minder hechtingsgedrag laten zien dan kinderen met een verstandelijke beperking die geen stoornis in het autistische spectrum vertonen.

Tabel 4

Verschil tussen score op gemiddeld hechtingsgedrag (en standaarddeviatie) van autisten en niet autisten bij groepsleider 1 en 2 op item a en b en t-toetsen met overschrijdingskans

 

                                                          Autisme          Geen autisme             t                      p

                                                           N= 19             N= 61

 

                                   item a              3,14 (0,95)      3.74 (1,10)                 2.15                .02

Groepsleider 1

item b             3,10 (0,96)      3,79 (1,13)                 2.39                .01

 

item a              3,16 (0,96)      3,84 (1,30)                 2.11                .02

Groepsleider 2

                                   item b             3,12 (0,95)      3,88 (1,32)                 2.34                .01

Om deze hypothese te toetsen is besloten vier keer de independent samples t-toets uit te voeren voor de gemiddelde score op gehechtheidsgedrag op de a en b vragen voor groepsleider 1 en 2.. De groepsvariabele is de diagnose autisme. Uit de gegevens bleek dat van de 80 kinderen 19 kinderen gediagnosticeerd zijn met een autismespectrum stoornis. In tabel 4 is af te lezen dat de resultaten van de vier toetsen significant zijn. Dit betekent dat kinderen met een verstandelijke beperking en een stoornis in het autistische spectrum significant minder hechtingsgedrag laten zien dan kinderen met een verstandelijke beperking die geen stoornis in het autistische spectrum hebben.

De hypothesen dat kinderen met een verstandelijke beperking en een stoornis in het autistische spectrum minder veilige haven en veilige basis gedrag laten zien dan kinderen met een verstandelijke beperking zonder een stoornis in het autistisch spectrum, werden onderzocht door middel van het uitvoeren van acht independent sample t-toetsen.
De meeste vragen van de gehechtheidsvragenlijst zijn op te delen in typische veilige haven of typische veilige basis vragen. Bij een aantal vragen was het niet duidelijk of ze bij veilige haven gedrag of veilige basis gedrag hoorden (vraag 14, 20 en 21). Aan de hand van Cronbach’s alpha is onderzocht of deze items van hogere waarde zouden zijn als ze weggelaten worden. Dit was het geval bij item 20. Dit item werd daarom niet in de data-analyse gebruikt. Vraag 14 en 21 zijn bij veilige basis gedrag en veilige haven gedrag gebruikt in het analyseren van de data.

Vervolgens zijn er acht t-toetsen uitgevoerd om te onderzoeken of er een significant verschil bestaat tussen autisten en niet autisten. In Tabel 5 is af te lezen wat de t-waarden en hun bijbehorende overschrijdingskansen (1-zijdig) zijn. Daarnaast zijn ook de gemiddelden en de standaarddeviaties van de autisten (waarde 1) en niet autisten (waarde 0) weergegeven.

Tabel 5

Verschil tussen de gemiddelde scores op veilige basis- en veilige haven-gedrag voor kinderen met en zonder autisme bij beide groepsleiders

 

Autisme         Geen autisme    t             p

                                                 N= 19              N= 61

Groepsleider 1 Veilige Haven

 

 

 

 

 

 

Item a        3.43 (.90)         3.95 (1.18)          -1.78     0.04

 

 

Item b        3.36 (.95)        4.02 (1.23)          -2.15     0.02

 

 

Veilige Basis

 

 

 

 

 

 

Item a        2.54 (1.07)      3.28 (1.28)          -2.25      0.01

 

Item b       2.55 (1.01)      3.31  (1.29)         -2.33       0.01

 

 

Groepsleider 2 Veilige Haven

 

 

 

 

 

 

Item a       3.47 (1.05)       3.96 (1.36)         -1.44       0.08

 

 

Item b      3.40 (1.02)       4.00 (1.39)          -1.75       0.04

 

 

Veilige Basis

 

 

 

 

Item a      2.55 (.99)          3.50 (1.46)         -2.65       0.00

 

 

 Item b     2.54  (1.00)       3.54 (1.47)         -2.75       0.00

 

 

De verwachting dat autisten lager scoren op veilige haven gedrag dan niet autisten werd ondersteund door de onderzoeksresultaten. Bij vrijwel alle t-toetsen omtrent veilige haven gedrag werd een significant verschil gevonden tussen autisten en niet autisten, op één toets na, begeleider 2, a-vraag, (t(78)= -1.43, p= .08).
Tevens werd de andere hypothese, dat autisten lager scoren op veilige basis gedrag dan niet autisten ook bevestigd door de onderzoeksresultaten. Alle t-toetsen gaven een significant verschil aan. Deze resultaten zijn af te lezen in tabel 5.

Om de vraag of verstandelijk gehandicapte kinderen (met of zonder autisme) binnen groepsopvang één preferentiefiguur hebben aan wie zij de meeste gehechtheidsgedragingen  laten zien, te kunnen beantwoorden is gebruik gemaakt van de 22 vragen uit de gehechtheidsvragenlijst. De respondenten hebben deze vragen moeten beantwoorden over het kind ten opzichte van zichzelf (b-vragen) en ten opzichte van anderen (a-vragen). Per kind hebben twee (willekeurige) groepsleiders de vragen beantwoord. Om te kunnen komen tot een antwoord zijn ten eerste vier variabelen aangemaakt. In tabel 6 is te zien wat de variabelen voorstellen.

Tabel 6
Gemiddelden per begeleider en a- of b- vraag

Variabele Omschrijving
b1Ga Begeleider 1, gemiddelde A vragen
b1Gb Begeleider 1, gemiddelde B vragen
b2Ga Begeleider 2, gemiddelde A vragen
b2Gb Begeleider 2, gemiddelde B vragen

Vervolgens zijn voor begeleider 1 en 2 de gemiddelde scores op de b-vragen van de gemiddelde scores op de a-vragen afgetrokken. Tabel 7 geeft deze nieuwe variabelen weer.

Tabel 7
Gemiddelde vraag b – gemiddelde vraag a, per begeleider

Variabele Beschrijving
Difb1 b1Gb – b1Ga
Difb2 b2Gb – b2Ga

Het gemiddelde van het verschil voor begeleider 1 is .03, met een standaard afwijking van .19. Het gemiddelde van het verschil voor begeleider 2 is .02, met een standaardafwijking van .28. Er zijn dus nauwelijks verschillen waargenomen tussen de gemiddelden op de a- en b-vragen.

Twee independent samples t-testen zijn uitgevoerd om te onderzoeken of er verschil is tussen autisten en niet autisten voor wat betreft het hebben van een preferentiefiguur. De eerste test is gedaan met als testvariabele het verschil voor begeleider 1 op de A en B vragen, de tweede test is gedaan met als testvariabele het verschil voor begeleider 2 op deze vragen. Er werden geen significante verschillen gevonden voor begeleider 1, (t(78)= 1.70, p=.09). Ook voor begeleider 2 werden er geen significante verschillen gevonden tussen autisten en niet autisten, (t(78)= 1.10, p= .28). In tabel 8 zijn de gemiddelden en standaardafwijkingen van de autisten en niet autisten weergegeven voor begeleider 1 en 2.

Tabel 8
Gemiddelde verschilscores (en standaarddeviaties) tussen autisten en niet autisten voor de A en B vragen voor beide begeleiders.

  Autisme
N= 19
Geen autisme
N= 61
Begeleider 1 -.03 (.20) .05 (.18)
Begeleider 2 -.04 (.23) .04 (.30)

5.  Discussie
Dit onderzoek naar hechtingsgedrag van verstandelijk beperkte kinderen leidt tot de volgende conclusies:

(1) De interne consistentie van de gehechtheidsvragenlijst is hoog (> .90). Een optelling of een gemiddelde van de 22 items uit deze vragenlijst geeft een zinvolle score. Dit betekent dat de gehechtheidsvragenlijst een betrouwbaar onderzoeksinstrument is.

(2) De interbeoordelaars betrouwbaarheid is te laag (< .70). Dit duidt op een lage overeenkomst in de antwoorden tussen de twee begeleiders. In vervolgonderzoek zou op itemniveau gekeken kunnen worden door welke items dit wordt verklaard. Door de Pearson correlatie per item te berekenen, wordt inzichtelijk of verwijdering van onbetrouwbare items leidt tot verhoging van de interbeoordelaars betrouwbaarheid.

(3) Autistische kinderen met een verstandelijke beperking vertonen significant minder hechtingsgedrag dan niet autistische kinderen met een verstandelijke beperking. Dit blijkt uit de significante resultaten van vier t-toetsen: (t(78)= 2.15, p= .02) voor de a-items bij groepsleider 1, (t(78)= 2.39, p= .01) voor de b-items bij groepsleider 1, (t(78)= 2.11, p= .02) voor de a-items bij groepsleider 2 en (t(78)= 2.34, p= .01) voor de b-items bij groepsleider 2. Er werden gemiddelden gevonden die voor beide groepen laag waren. De gemiddelden lagen tussen 3 en 4, zoals af te lezen in tabel 4 op pagina 20. Deze waarden suggereren dat kinderen met een verstandelijke beperking minder gehechtheidsgedrag vertonen dan kinderen zonder een verstandelijke beperking. Hetzelfde geldt voor kinderen met een stoornis in het autistisch spectrum: autistische kinderen vertonen minder gehechtheidsgedrag dan niet autistische kinderen. De significante onderzoeksresultaten ondersteunen de hypothese dat wanneer een verstandelijke beperking en autisme samengaan een kind nog minder gehechtheidsgedrag laat zien.

Een mogelijke zwakte in dit onderzoek kan voortkomen uit de aanname dat de diagnose wel/geen autisme juist is. De gedragsdeskundigen van de instellingen waar het onderzoek heeft plaatsgevonden, zijn uitgegaan van wat vermeld is in de dossiers van de betreffende kinderen. Het zou kunnen dat een diagnose autisme ten onrechte is gesteld of niet is herkend, waardoor de scores in het onderzoek niet kunnen kloppen en de eerder getrokken conclusies niet meer dezelfde hoeven te zijn. Dit nodigt uit om bij toekomstig onderzoek het aantal proefpersonen niet te klein te kiezen. De kans op meer representatieve resultaten kan hiermee worden vergroot.

(4) Autistische kinderen vertonen een duidelijke trend om minder veilige haven- en minder veilige basis-gedrag te laten zien dan niet-autistische kinderen. Van de acht t-toetsen werden bij zeven toetsen significante verschillen gevonden. De waarden van deze t-toetsen en overschrijdingskansen zijn af te lezen in tabel 5 op pagina 22.

Uit de resultaten kan ook opgemaakt worden dat veilige haven-gedrag meer kenmerkend is voor autisten dan veilige basis-gedrag. In tabel 5 op pagina 22 is af te lezen dat bij autisten de gemiddelden op veilige haven-gedrag hoger zijn dan de gemiddelden op veilige basis-gedrag. Veilige basis-gedrag kan minder kenmerkend zijn voor verstandelijk beperkte kinderen doordat zij vanuit hun beperking minder goed in staat zijn om te exploreren. Het zou kunnen dat verstandelijk beperkte kinderen door een grote behoefte aan structuur minder snel op pad gaan en dat zij daarom een hechtingsfiguur meer als veilige haven dan als veilige basis gebruiken. De lagere score op veilige basis-gedrag heeft dus waarschijnlijk niet zozeer betrekking op de hechtingsrelatie, maar meer op de beperking zelf.

Middels vervolgonderzoek kan gekeken worden hoe de hogere gemiddelden van autisten op veilige haven-gedrag ten opzichte van veilige basis-gedrag het beste verklaard kunnen worden.

(5) Verstandelijk beperkte kinderen met of zonder autisme hebben geen duidelijke preferentie voor een specifieke groepsleider. Dit blijkt uit onderzoek naar verschil tussen autisten en niet-autisten voor wat betreft het hebben van een preferentiefiguur. Hier kwamen bij beide begeleiders geen significante verschillen naar voren: (t(78)= 1.70, p= .09) voor begeleider 1 en (t(78)= 1.10, p= .28) voor begeleider 2. Het zou kunnen dat een verstandelijk beperkt kind geen preferentiefiguur heeft doordat het zich bij geen van de begeleiders veilig genoeg voelt om nabijheid te zoeken in situaties van stress.

Het niet significante resultaat kan verklaard worden door de volgende, mogelijke zwakten in het onderzoek: (a) het zou kunnen dat de respondenten door onvoldoende kennis of onvoldoende bewustzijn van gehechtheidsgedragingen specifieke uitingen van dit gedrag niet herkennen bij de kinderen. Items van de vragenlijst kunnen daardoor verkeerd beantwoord zijn door de respondenten, (b) relatief veel van de respondenten waren stagiaires, die per definitie kort op de groep zijn. De mogelijkheid voor verstandelijk beperkte kinderen om hechtingsrelaties te ontwikkelen met een begeleider die een korte periode op de groep werkt, wordt hier vermoedelijk mee verkleind, (c) binnen de zorg vindt er regelmatig wisseling van personeel plaats. Personeelswisselingen kunnen ertoe leiden dat verstandelijk beperkte kinderen belemmerd zijn om adequate hechtingsrelaties te ontwikkelen met een vaste begeleider ofwel met één figuur.

In toekomstig onderzoek kan door het betrekken van meer mentoren binnen de groep respondenten en het uitsluiten van stagiaires gekeken worden of groepssetting wél een passend alternatief voor het ontwikkelen van adequate hechtingsrelaties kan zijn. Een andere manier is het vergroten van de kennis van het personeel van de verschillende vormen van hechtingsgedragingen. Het personeel zal hechtingsgedrag dan eerder herkennen bij de kinderen, waardoor de items van de gehechtheidsvragenlijst beter begrepen en daarmee beter beantwoord kunnen worden. Voor de resultaten van dit onderzoek zou dit betekenen dat hechtingsgedrag van verstandelijk beperkte kinderen beter in kaart kan worden gebracht.

6.  Bibliografie

Boeken

APA (American Psychiatric Association). (1994) Diagnostic and statistical manual of mental disorders (Washington, DC: Author)

Colinn, V. (1996) Human Attachment (New York: The McGraw-Hill Companies)

Kraijer, D., (2004) Handboek autismespectrumstoornissen en verstandelijke beperking (Lisse: Harcourt)

Robson, C. (2002) Real world research (Oxford: Blackwell Publishing)

Sanders-Woudstra, J., Verhulst, F., Witte, H. de. (2001) Kinder- en jeugdpsychiatrie. Psychopathologie en behandeling (Assen: Koninklijke Van Gorcum)

Wenar, C., Kerig, P., (2000) Developmental Psychopathology. From infancy through adolescence (4th ed) (New York: The Mc Graw Hill Companies)

IJzendoorn, van, M., Frankrijker, H., (2002) Pedagogiek in beeld. Een inleiding in de pedagogische studie van opvoeding, onderwijs en hulpverlening (Houten/Diegem: Bohn Stafleu Van Loghum)

Artikelen

Brown, E., Aman, M.,  Havercamp, S., (2000)Factor analysis and norms for parent ratings on the Aberrant Behavior Checklist-Community for young people in special education, Pergamon, Research in Developmental Disabilities (2002), 45-60

Chadwick, O., Cuddy, M., Kusel, Y., Taylor, E. (2005) Handicap and the development of skills between childhood and early adolescence in young people with severe intellectual disabilities, Journal of Intellectual Disability Research, volume 49 (part 12), 877-888

Dekker, M., Nunn, J., Einfeld, S., Tonge, B. & Koot, H. (2002) Assessing emotional and behavorial problems in children with intellectual disability: Revisiting the factor structure of the Developmental Behavior Checklist, Journal of Autism and Developmental Disorders, volume 32, 1, 601-609

Janssen, C.,  Schuengel C., Stolk, J. (2002) Understanding challenging behaviour in people with severe and profound intellectual disability: a stress- attachment model, Journal of Intellectual Disability Research, volume 45, 445

Luckasson, R., Coulter, D., Polloway. E., Reiss, S., Schalock, R., Snell, M., Spitalnik, D. & Stark, J. (1992) Mental retardation. Definition, classification and systems of support, Elsevier, 31 (2003), 425-427

Rutgers, A., Bakermans-Kranenbrug, M., IJzenhoorn, M. van, Berckelaer-Onnes, I. van, (2004) Autism and attachment: a meta-analytic review, Journal of Child Psychology and Psychiatry, 45, 1123-1134

Schipper, C. de, Stolk, J., Schuengel, C. (2005) Professional caretakers as attachment figures in day care centres for children with intellectual disability and behaviour problems, Elsevier, ..

Websites

Waters 1987: http://www.johnbowlby.com

FacebookTwitterPinterest

full post »
next page next page close

Depressie: antipillen of niet?

Depressie: antipillen of niet?

– auteur: Marije van den Wijngaard, december 2013 –

 

Nederland hoort tot de gelukkigste landen ter wereld. Wij geven de kwaliteit van ons bestaan gemiddeld bijna een acht. Volgens andere cijfers echter zijn veel Nederlanders verre van opgewekt. De hoeveelheid antidepressiva die de apothekers verkopen is een indicator van het psychisch lijden. Voor dit middel schrijft de huisarts het vaakst een recept uit.

Al jaren vroeg ik me af hoe het toch komt dat er zoveel antidepressiva worden geslikt. Zijn de mensen zoveel ongelukkiger geworden? Of schrijft de dokter te lichtzinnig zijn recepten voor?
 Hoe kan deze stoornis een epidemie kan worden in landen waar de levensbehoeften steeds beter vervuld zijn? Hoe kan het dat voldoende voedsel, veiligheid, goede behuizing en medische zorg niet tot een afname van somberheid leidde? Ik vond een boek over deze precaire materie en voor mij een eye-opener: “De Depressie-epidemie” van prof. dr. Dehue.

Dehue gaat in op 3 mogelijke oorzaken waaróm die aandacht toegenomen is, net zoals de middelen voor de strijd tegen depressie (denk aan medicatie, psychotherapie en een hoop alternatieve geneeswijzen):

1: Is het de natuur? “Depressie is een biologisch bepaalde stoornis, die al eeuwenlang bestaat en overal voorkomt, maar pas nu, in rijke landen, goed gediagnosticeerd en behandeld wordt”
Antwoord: een tekort aan bepaalde stoffen in de hersenen, zoals serotonine en noradrelina. Medicatie vult dit tekort aan, waardoor de klachten afnemen. Echter blijkt dat deze afwijking niet specifiek te zijn voor stemmingsstoornissen, het zijn slechts vermoedens van de wetenschappers!

2: Is het hebzucht? “De sterke toename van depressie is een product van de farmaceutische industrie, die geld en macht vergaart door de bevolking stoornissen aan te praten”
Antwoord: Echter, ook de overheid en het Trimbos instituut heeft campagnes ingezet dat depressie een ziekte is die goed behandeld moet worden. Experimenten laten zien dat de helft van de mensen niet opknapt door een antidepressivum en dat de meerderheid hiervan ook van een placebo zou opknappen.

3: Is het de verwekelijking/machteloosheid/futloosheid? “De verzorgingsstaat met zijn leger aan hulpverleners maken mensen kleinzerig en ontnemen het besef dat geluk om eigen inspanning vraagt”
Antwoord: Inmiddels weten we wel beter.. Als professional met enige werkervaring kan ik beamen dat belangrijke doelen van adequate hulp juist het vergroten van de zelfredzaamheid en zelfstandig functioneren zijn.

4: Is het een epidemie? “Als je niet succesvol genoeg bent, niet ondernemend genoeg, niet outgoing, niet populair en niet weerbaar genoeg bent, is er iets mis en moet je naar de huisarts”
Antwoord: Het boek laat zien dat het een samengaan van verschillende factoren is en stelt er een vierde tegenover: het imago van melancholie en depressie http://www.youtube.com/watch?v=Z1FgHIco0Eg

Is behandeling middels Cognitieve Gedragstherapie het antwoord?
In de huidige Westerse samenleving lijkt depressie niet zozeer een ziekte, liever terughoudend dus met medicatie, maar middels therapeutische behandeling kan er gewerkt worden aan de attitude van een patiënt. Er zijn tal van manieren om tot zelfverbetering te komen. We dienen het lot in eigen handen te nemen en dingen te doen die goed voor ons zijn zoals sporten en gezond eten. Therapeutische behandeling zoals cognitieve gedragstherapie kan een handje helpen bij het beinvoeden van disfunctionele denkpatronen. De effectiviteit is bewezen in wetenschappelijk onderzoek. Verder is er op de markt: lichttherapie, haptonomie, acupunctuur, hypnotherapie, NLP en zelfhulp: Sint Janskruid, omega-3 vetzuren, yoga en je informeren door websites te raadplegen.

Dus tja… medicatie?
Superioriteit van medicatie vergeleken met een placebo is onvoldoende bewezen. Van antidepressiva is zelfs bekend dat ze het risico op suïcide verhogen. Desondanks mag niet besloten dat antidepressiva ineffectief kunnen zijn. Echter, de biologische interpretatie van depressiviteit ontneemt ons niet onze verantwoordelijkheid om aan de eigen attitude te werken. Als een depressie ernstig is en al langer bestaat, kan het zijn dat het niet meer lukt om op eigen kracht uit de negatieve maalstroom te komen. Dan kan altijd nog antidepressiva voorgesteld worden (van het type SSRI).

 

Boek: Dehue, T. (2008) De Depressie-epidemie. Over de plicht het lot in eigen hand te nemen (Amsterdam: Uitgeverij Augustus)

Website: http://www.vgct.nl

FacebookTwitterPinterest

full post »

DIY: homemade cleaner

article post

DIY: handzeep maken

Ingrediënten:

Voor 0,5 liter vloeibare zeep heb je nodig:

20 gram marseillezeep
0,5 liter water
eventueel etherische olie

article post

Adopteer een kip!

article post

De WISC IV en WISC-V

De WISC-IV zal niet in een Nederlandstalige bewerking uitgegeven gaan worden. In...
article post

Over mij als GZ-psycholoog

article post

Over het ontstaan van een Post Traumatische Stress Stoornis

Opzet voor onderzoek naar factoren bepalend voor het ontstaan van PTSS Vrije...
article post

Gehechtheidsgedrag naar groepsleiding: verschillen tussen kinderen met een verstandelijke beperking met en zonder een stoornis in het autismespectrum

B-these Orthopedagogiek Vrije Universiteit Amsterdam Faculteit Psychologie en Pedagogiek...
article post

Depressie: antipillen of niet?

article post